Visstandbeheer en Kaderrichtlijn Water

0 2765
19 jun

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) verplicht waterbeheerders om hun wateren vóór 2015 te laten voldoen aan enkele stringente milieudoelstellingen. De Kaderrichtlijn kent drie watersoorten: kunstmatige wateren zoals kanalen, natuurlijke wateren en sterk veranderde waterlichamen zoals rivieren.

Natuurlijke wateren dienen binnen de Kaderrichtlijn minstens te voldoen aan het criterium Goede Ecologische Toestand (GET).

Het streven naar een goede ecologische toestand van kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen wil in tegenstelling tot aanvankelijke bedenkingen bij de Kaderrichtlijn niet zeggen dat de oorspronkelijke geomorfologie (vorm van terrein en landschap) koste wat kost hersteld moet worden. Het lange proces van menselijke ingrepen als dijken, sluizen en stuwen, hebben een waterloop nu eenmaal sterk van karakter veranderd.

Belangrijke maatschappelijke functies die dan ondertussen verbonden zijn aan een waterlichaam, kunnen niet zonder grote sociaal-economische gevolgen weer opnieuw teruggebracht worden tot de oorspronkelijke natuurlijke toestand van een waterloop.
Zelfs water dát al schoon is: 'chemische kwaliteit op orde', zou kunnen lijden door hernieuwde ingrepen in de hydromorfologie (omgeving en samenstelling waterlopen) en aldus een belemmering vormen voor het behalen van de goede ecologische toestand.
In voorkomende gevallen mag zo’n waterlichaam aangewezen worden als sterk veranderd.

Het hoeft geen betoog dat bijna al ons Nederlandse rivierenlandschap “sterk veranderd” is. Voor zulke waterlichamen is niet de goede ecologische toestand doorslaggevend, maar het Goed Ecologisch Potentieel (GEP). Dat goed ecologisch potentieel is overigens weer afgeleid van het Maximaal Ecologisch Potentieel (MEP).
Hieronder wordt verstaan het “maximaal haalbare” in een stroomgebied en waterlichaam, gezien de hydromorfologische ingrepen.

Van waterlichamen spreekt men bij zowel grondwater als oppervlaktewater. Een opper-vlaktewaterlichaam is een oppervlaktewater van aanzienlijke omvang zoals een beek, kanaal, rivier of een meer. Grondwater is ook te onderscheiden in verschillende waterlichamen.
Een grondwaterlichaam is een afzonderlijke grondwatermassa in één of meer watervoerende lagen onder het bodemoppervlak.

Momenteel wordt er hard gewerkt aan criteria voor een goede chemische en ecologische toestand van alle verschillende wateren; maar ook aan criteria voor de visstand. Wat dit laatste betreft zullen er lijsten opgesteld worden van vissen die in een bepaald type water thuishoren. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de vissoorten zelf, maar ook naar een juiste balans tussen bodem-azende, plantenminnende, visjagende en niet zo kieskeurige vissoorten.

Waterbeheerders dienen vanaf het jaar 2015 hun water zodanig te beheren dat deze vissen in een zo ideaal mogelijke verhouding hierin ook daadwerkelijk voorkomen. De Kaderrichtlijn betekent aldus een ingrijpende verandering in het waterbeheer en de verantwoordelijkheid daarvoor van waterbeheerders. Naast een expliciete aandacht voor de ecologische kwaliteit van verscheidene waterlichamen zal ook de zelfs grensoverschrijdende aanpak en beheer per stroomgebied van rivieren in het oog springen. Door de Europese Unie is Nederland in vier stroomgebieden opgedeeld: Eems, Maas, Rijn en Schelde.

De Kaderrichtlijn verplicht waterbeheerders in alle lidstaten verder nu ook de kwaliteit van hun ándere oppervlaktewateren -zoals o.a. visvijvers, ondermeer te beoordelen aan de hand van de visstand. Hiermee betreedt de waterbeheerder gewild of ongewild het tot voor kort soms exclusieve domein van de visrechthebbende.
Visrechthebbenden, waterbeheerders en de Kaderrichtlijn

Visrechthebbenden erkenden reeds lange tijd de relatie tussen een gezond water en een goede visstand. Voor het door hun gepachte water werd vaak door de visrechthebbende een zogenoemde Visstand Beheer Commissie (VBC) in het leven geroepen, die verantwoordelijk was voor een afgewogen jaarlijkse visuitzet binnen het financiële kader van de organisatie.
Visrechthebbenden begrijpen nu dat zij door de invoering van de Kaderrichtlijn voor het bereiken van de gewenste vispopulatie en ecologie (leef- en milieu-omgeving) “vanaf heden” bij de waterbeheerders kunnen gaan aankloppen, aangezien deze toekomstig immers de verantwoordelijkheid dragen voor alle wezenlijke beheermaatregelen.

Het belangrijke onderdeel visstandbeheer diende door de komst van de Kaderrichtlijn Water overigens om die reden ook eigenlijk “vanaf gisteren” onderwerp te zijn van grote aandacht voor waterbeheerders. Deze liepen voorheen echter niet altijd echt warm voor deze zaak, omdat in vroegere tijden visstandbeheer via het pachtcontract vooral in handen lag van de huurder van visrechten als meest belanghebbende.
Voorzichtige conclusie: visstandbeheer en waterbeheer waren lange tijd soms geheel gescheiden werelden, maar met de komst van de Kaderrichtlijn is dat voorgoed voorbij.
Fasering van de Kaderrichtlijn dwingt op termijn gezamenlijke inspanningen af, maar biedt in ieder geval een uitgelezen kans om nu maar “per direct” intensief samen te werken.

Historisch kader, hengelsportverenigingen en de Kaderrichtlijn

Geplaatst in een historisch kader was visstandbeheer door hengelsportverenigingen vooral gericht op het lokale streven naar een goede visstand en optimale visserijmogelijkheden. Daarnaast speelden pogingen om invloed te kunnen uitoefenen en de aandacht te vestigen op een meer algemeen waterbeheer vooreerst een belangrijke bijrol. In meest directe zin werd de sportvisserij als “slechts” pachter of huurder van visrecht namelijk niet of nauwelijks in staat gesteld daadwerkelijk de ecologie te beïnvloeden.
Aandacht en zorg voor ecologische aspecten was vóór de Kaderrichtlijn wettelijk uitsluitend het speelterrein van Hoogheemraadschappen, Rijkswaterstaat en de waterschappen.

Uit de historische relatie tussen sportvissers en waterbeheerders komt dus vooral naar voren dat hengelsportverenigingen en hun koepelorganisatie -–nu: Sportvisserij Nederland, al sinds de tachtiger jaren van de vorige eeuw trachtten waterbeheerders meer te interesseren in een goed visstandbeheer. Daarbij werd door sportvissers er steeds op gewezen dat verregaande samenwerking tussen visrechthebbenden en waterbeheerders een noodzakelijk voorwaarde zou zijn voor een gevarieerde en gezonde visstand en visvriendelijke wateren.
Sportvisserij Nederland benadrukte al die jaren ook dat (mede)beheer door de directe belanghebbenden –zoals dus die onderscheidene hengelsportverenigingen met hun VBC’s een absolute noodzaak zou zijn voor een breed gedragen én een succesvol beheer.

Terugblikkend kwamen discussies in het verleden over de gespreide verantwoordelijkheden hoofdzakelijk voort uit de nogal starre omschrijvingen in de competenties omtrent het begrip visstandbeheer.
Nauwgezette uitvoering van de Kaderrichtlijn Water en de hierin beschreven samenwerking tussen visrechthebbende en waterbeheerder -in bij voorbeeld Visstand Beheer Commissies, maken in ieder geval toekomstige discussies overbodig.

Waterbeheerders, visstandbeheer en de Kaderrichtlijn

Waterbeheerders moeten voortaan naast een grote variëteit aan verantwoordelijkheden zoals het op diepte brengen en houden van wateren; controle op het zuiveren van afvalwater (defosfateren); toezicht op een overmaat aan voedingsstoffen (eutrofiëring); het aanleggen of onderhouden van paaiplaatsen etc., nu ook via hun beheer- en inrichtingsmaatregelen directe invloed nemen op de visstand. Door de Kaderrichtlijn worden waterbeheerders bovendien verplicht periodiek de visstand te bemonsteren en te beoordelen. Voor zulke bemonsteringen zijn reeds gestandaardiseerde modules ontwikkeld, alsmede modellen voor de gewenste visstand in de verschillende wateren door onder anderen deskundigen op het gebied van limnologie (zoetwaterbiologie) van het Nederlands Limnologisch Instituut.

Beperken we ons tot stilstaande wateren, dan is bij voorbeeld het verbeteren van de waterplantengroei, maar evenzeer het wel eens bekritiseerde verwijderen van brasem uit ondiep en te voedselrijk water in het kader van Actief Biologisch Beheer (ABB), wellicht in het totale geheel slechts een geringe verantwoordelijkheid voor waterbeheerders, maar toch ook een door de Kaderrichtlijn voorgeschreven latente zorg en bijdrage tot structurele verbetering en instandhouding van de ecologische kwaliteit van het water.

Visstand Beheer Commissies (VBC’s) en de Kaderrichtlijn

Geconstateerd mag worden dat de doelen van de Kaderrichtlijn Water wonderwel aansluiten bij de doelstellingen van de vroeger geïnitieerde Visstand Beheer Commissies. En in het traject van de invoering van de Kaderrichtlijn zijn nagenoeg voor alle rijkswateren en de meeste regionale wateren nu dan ook -waar dit nog noodzakelijk was, nieuwe VBC’s ingesteld. Wij mogen alleen al in de provincie Limburg hier noemen de VBC Geul en Zijbeken, VBC Grensmaas, VBC Roerdal, VBC Tungelroyse Beek en de VBC Zandmaas.
In onze visie zouden deze Visstand Beheer Commissies overigens moeten uitgroeien tot een structuur van publiek-private samenwerking (zonder daaraan een aparte rechtspersoonlijkheid te willen koppelen) oftewel co-management.

Verder is het creëren en in stand houden van goede communicatie in en om een Visstand Beheer Commissie noodzakelijk. Verzorgde communicatie kent als doorslaggevend effect dat je elkaars “taal” gaat begrijpen: inhoudelijk/technisch, maar ook wat betreft belangen, emoties en het bevorderen van het zo belangrijke “wij-gevoel”.
Het behoeft eigenlijk ook geen discussie dat een Visstand Beheer Commissies zélf in staat moeten worden gesteld goed te kunnen gaan communiceren naar verschillende overheden toe, de eigen “sportvisserij-omgeving” en de waterbeheerders. Betrokkenheid, draagvlak, informatie en uitvoering, zijn essentieel zijn voor het welslagen van al die VBC’s.

Belangrijk is tevens de “binding en borging” -waarbij zeker bestaande visrechten intact blijven, maar in het opnieuw verstrekken van het visrecht waar in principe een verplichting wordt opgenomen om als visrechthebbende deel te gaan nemen in een Visstand Beheer Commissie. Dan is het voor een behoorlijk functioneren van VBC’s nochtans dringend noodzakelijk dat visrechthebbenden zich verder kunnen professionaliseren.
Visstandbeheer -zeker in relatie tot de Kaderrichtlijn, kan niet meer geheel door vrijwilligers worden vormgegeven. En je kunt van vrijwilligers toch niet verwachten dat zij alle verlangde technische expertise zomaar paraat hebben of zich eigen moeten gaan maken?

Visstandbeheer, VBC’s en de centen

Hiermee wordt meteen een heikel punt geopenbaard: namelijk de toekomstige financiering van het visstandbeheer. Dat dit geld -veel geld, zal gaan kosten en door de sector niet zelfstandig opgebracht kan worden, is evident.
Aangezien visstandbeheer in de programmatische visie van de Kaderrichtlijn niet alleen het belang van de sportvisserij dient, maar een algemeen en groot maatschappelijk belang vertegenwoordigt, moet de overheid ook hierin dan maar haar verantwoordelijkheid nemen; aldus is het standpunt van Sportvisserij Nederland en haar aangeslotenen.
Wij willen daarbij nog een derde (financiële) component ten tonele opvoeren. Gevoeglijk kunnen we namelijk aannemen dat binnen het huidige ambtelijke apparaat van bij voorbeeld de gemeente Venlo niet zomaar alle deskundigheid en disciplines aanwezig zijn om de onder haar verantwoording vallende Kaderrichtlijn uit te voeren. Aannemelijk is dat deze en andere gemeenten een en ander dan in samenwerking gaan doen met het in de regio opererende waterschap. En ook dat kost uiteindelijk gemeenschapsgeld.
Maar voor een duurzaam en verstandig visstandbeheer hebben wij toch best wat over?

Hans Logtens sr. (redactie en samenstelling)
Gerelateerde berichten
Facebook reacties

Om u de beste gebruikerservaring te kunnen bieden, gebruiken wij cookies. Voor meer inhoudelijke informatie en het onderscheid die wij hier in maken, verwijzen wij u door naar ons cookiebeleid.

Om u de beste gebruikerservaring te kunnen bieden, gebruiken wij cookies. Voor meer inhoudelijke informatie en het onderscheid die wij hier in maken, verwijzen wij u door naar ons cookiebeleid.